Stolpersteine Zwolle
Joods Zwolle

Jodenvervolging in Zwolle 1940-1945

Joods Zwolle vormt aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog een rijk geschakeerde gemeenschap met een eigen plek in de stad. Een gemeenschap echter die leeft onder de toenemende dreiging van oorlog en antisemitisme vanuit nazi-Duitsland. Tientallen Duits-Joodse vluchtelingen vestigen zich in Zwolle.

Na de Duitse inval in mei ’40 blijven Joodse burgers korte tijd ongemoeid. In de zomer wordt ritueel slachten wordt verboden. Joodse ambtenaren worden uit hun functie gezet. Vanaf het najaar voltrekt zich in hoog tempo het proces van identificeren en registreren, van stigmatiseren en discrimineren, van sociaal, economisch en fysiek isoleren van de Joodse Zwollenaren. Deportaties volgen vanaf oktober 1942.

Identificeren, registreren, stigmatiseren

Wie is Jood? De nazi’s gaan volgens de Neurenberger rassenwetten (1935) uit van het aantal Joodse grootouders. Met drie of vier Joodse grootouders is men in de Duitse terminologie vol-Jood, met twee half-Jood. Dit los van de vraag of mensen zichzelf in sociaal, cultureel of religieus opzicht een Joodse identiteit toekennen. Begin 1941 bevelt Rijkscommissaris Seys Inquart de aanmelding van ‘personen van geheel of gedeeltelijk joodschen bloede’. Op het stadhuis doen 781 Zwollenaren opgave van hun Joodse voorouders. Vervolgens ontstaan er twee bevolkingsregistraties; een van Joodse en een van niet-Joodse burgers.

Dit onderscheid wordt pijnlijk zichtbaar in het persoonsbewijs, het identiteitsbewijs dat iedere Nederlander krijgt uitgereikt. Bij Joden wordt er een opvallende grote J in gestempeld. Op 3 mei 1942 volgt de Jodenster. In de zespuntige gele ster staat met zwarte letters het woord 'Jood'. De ster moet buitenshuis zichtbaar op de linkerborst gedragen worden. Medio 1942 betekent de ‘Liste über in der Gemeinde Zwolle wohnhaften jüdischen Personen’ de laatste administratieve stap naar deportatie. Er staan 641 vol-Joodse burgers op de lijst, plus 27 gemengd gehuwde stellen met hun kinderen. De Joodse partner is vooralsnog vrijgesteld van deportatie. Van deze 641 personen zijn er 454 in de Holocaust omgebracht.

Isoleren

Ook sociaal, economisch en fysiek worden Joodse burgers door tientallen geboden en verboden steeds rigoureuzer van de rest van de bevolking gescheiden. Joodse kinderen moeten vanaf september 1941 naar de aparte Joodse lagere school in de Voorstraat 41of het Joods lyceum aan de Thorbeckegracht 11. In de Voorstraat is ook het Joodse ziekenhuisje gevestigd. Bij openbare gelegenheden verschijnt het beruchte bord 'Voor Joden verboden'. Vanaf november 1941 mogen Joodse burgers niet meer zonder toestemming reizen en vanaf midden 1942 niet meer zonder toestemming verhuizen. Radio’s en fietsen moeten worden ingeleverd bij het stadhuis. Veehandelaren en slagers mogen niet meer naar de Zwolse veemarkt. Joden mogen niet samen met niet-Joden lid zijn van dezelfde clubs. Joden en niet-Joden mogen niet met elkaar trouwen. Er komt een uitgaansverbod na 20.00 uur en winkelen mag alleen nog tussen 15.00 en 17.00 uur. Bedrijven, onroerend goed en vermogens in Joods bezit worden onteigend. Kapitaal moet worden gedeponeerd bij de roofbank Lippmann Rosenthal. Bedrijven krijgen een niet-Joodse (‘arische’) zaakwaarnemer. 

Ter intimidatie staan op overtreding zware straffen.

 

Deporteren en vernietigen

In de zomer van 1942 worden tientallen Joodse mannen uit Zwolle verplicht tewerk gesteld in werkkampen in Friesland en Overijssel. Op zaterdag 3 oktober 1942 gaan zij van daaruit rechtstreeks naar het doorgangskamp Westerbork. Onder het voorwendsel van gezinshereniging en een oproep voor tewerkstelling in Duitsland moeten hun familieleden zich op vrijdagavond 2 oktober melden in het Gymnasium Celeanum aan de Veerallee. Op zaterdag vertrekken ook zij naar Westerbork. Hierna volgen nog twee deportaties. Op 18 en 19 november 1942 worden 71 mensen via de Wijnbeekschool in de Goudsteeg gedeporteerd naar Westerbork, begin april 1943 gevolgd door nog eens 92 personen. In het Oosten worden zij slachtoffer van de industrieel georganiseerde massamoord, hetzij door verstikking in de gaskamers van Auschwitz-Birkenau en Sobibor, hetzij door uitputting, ziekte en geweld in een van de vele werkkampen. Slechts weinigen overleven de kampen.

 

Foto: Gymnasium Celeanum, rechts de gymzaal waarin de Zwolse joden in 1942 bijeengebracht werden alvorens te worden afgevoerd naar Westerbork.

 

Onderduik

Na april ’43 wordt de stad geacht Judenrein te zijn. Alleen gemengd gehuwde Joden blijven achter. Inmiddels zijn rond de 200 Joodse Zwollenaren ondergedoken. Echter, niet iedereen wilde dat of had daartoe de gelegenheid. Onderduik vereist een niet-Joodse kennissenkring en dikwijls ook geld. Bovendien moeten onderduikgevers bereid zijn de zware straffen bij ontdekking te riskeren. Met hulp van verzetsorganisaties moet het bestaande voedseldistributiesysteem omzeild worden. Onderduik is voor alle partijen emotioneel belastend. Vijf Joodse Zwollenaren zijn tijdens hun onderduik gewelddadig om het leven gekomen en clandestien begraven. Geboorten zijn ook problematisch. In Zwolle zijn drie Joodse baby’s te vondeling gelegd. Tientallen Joodse Zwollenaren zijn in onderduik opgepakt door onvoorzichtigheid, verraad of de klopjachten door foute politieagenten. 

 

Na de oorlog

Iedere overlevende Joodse Zwollenaar betreurt na de bevrijding familieleden, vrienden en kennissen. Van het Joodse leven van voor de oorlog is weinig meer over. Veel overlevenden vertrekken naar het Westen van het land of naar Israël. Een kleine groep Joden blijft in en om Zwolle wonen. Nog altijd is de synagoge centrum van Joods leven in de stad.

 


Foto: De synagoge, gevestigd aan een deel van de Schoutenstraat dat later Samuel Hirschstraat ging heten. 

Zie voor meer informatie over de geschiedenis van de Joodse gemeenschap in Zwolle voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog onderstaande PDF, overgenomen uit  Dammis Baan, Jaap Hagedoorn, Piet den Otter, Peter van ’t Riet, Jodenvervolging in Twaalf Portretten (Stichting Judaica Zwolle, 2016), pag. 11-23.